Selecteer een pagina

Geschreven door: Milja Kruijt.

 

Zondagochtend.

Ik open mijn mail.

De eerste mail die ik lees gaat over initiatiefnemers van een van de projecten waar ik veel vrijwillige uren voor maak. We worden ervan beschuldigd ‘alle wegen te kennen’, ‘weten het spel te spelen’, ‘rendement binnen halen vooral voor eigen (-persoonlijke-, MK) bankrekening’ en dat ‘het rendement in de buurt onder de maat blijft’. BAM! Die zit!

En dan gebeurt er van alles met me.

Ik ken de man die de mail heeft geschreven. Hij is gedreven en zeer betrokken bij de buurt. Meestal legt hij de vinger op de zere plek al doet hij dat door met zijn klompen in de porseleinkast te springen. De manier waarop hij reageert, roept weerstand op en dat is jammer want hij wordt daardoor niet gehoord. Dit is de tweede keer dat hij het doet rondom een project waar ik bij betrokken ben. De eerste keer vertelde ik hem dat hij informatie mist. Ik nodigde hem uit voor een gesprek. Na een eerste positieve reactie had hij er toch geen behoefte aan.

Misschien dat ik daardoor nu ook in de weerstand schiet?

Dat ik geraakt word heeft ook te maken met het feit dat ik vandaag een subsidie aanvraag moet herschrijven. En dat ik daar tegen op zie. Ik vind offertes schrijven leuk, maar subsidies aanvragen … Dan spelen al mijn (oude) vooroordelen over subsidies en hoe we daar als maatschappij vroeger mee omgingen op. De mail sluit naadloos aan bij mijn oude gevoelens.

Ik voel me aangesproken.

En niet zo weinig ook.

De projecten waar ik bij betrokken ben hebben impact. Ik neem al mijn levens- en werkervaring mee de projecten in. Dat doen de andere betrokken initiatiefnemers ook. En dat doet iets met de omgeving.

Het laatste half jaar word ik regelmatig aangesproken op een manier die ik niet passend vind. Zo werd ik laatst ter verantwoording geroepen tijdens een bijeenkomst omdat er geen ‘afspiegeling van de wijk’ aanwezig was en we DUS niet inclusief waren … en wat ik daar aan deed? Die vragen komen dan van iemand die mij niet kent en nog nooit een van mijn projecten bezocht heeft.

En wanneer ik me voorstel als bewoner is er altijd wel iemand die zegt ‘Ja, maar jij bent ook professional’. De hoge ambtenaar, die zei: ‘Ja, maar jij bent professioneel bewoner’. En als klap op de vuurpeil de wethouder die zei: ‘Wie ben jij, want je praat niet als een bewoner’! Als professional wordt er kennelijk niet van je verwacht dat je zelf deel uit maakt van die inclusieve samenleving. Alsof het een diskwalificatie is, dat ik al mijn werkervaring mee neem …

De opmerking die mij iedere keer diep verdrietig maakt, is de ‘dat is verdringing’ gesprek-stopper. Initiatieven in heel Nederland worstelen met het gegeven dat ze een verdienmodel moeten hebben, dat ze ‘hun eigen broek moeten ophouden’. Al honderden jaren faciliteren we welzijn met gemeenschapsgeld. En nu is er de participatiesamenleving en zou er ineens een verdienmodel moeten, kunnen, zijn? En als er inderdaad een verdienmodel is, zou dat ‘verdringing’ zijn!

En even ben ik helemaal klaar mee.

Klaar met ‘actieve bewoner’ zijn en het beroep dat mijn wijk en de samenleving op mij doen. Even voel ik mij niet gewaardeerd en voelt het als oneerlijk. Ik ga in de vuurlinie staan en kies daar bewust voor. Ik zoek de wrijving op in de participatiesamenleving met al mijn talenten en mijn onvermogen. Ik maak het zoeken en de onzekerheden transparant. Ik doe het allemaal zelf.

Maar nu, voor een keer, een enkele keer, wil ik het hardop roepen: ‘het is niet fair!’

test